geen eeuwigheid blijven ken en ze is in geen velden of wegen te zien. Het zou me niks verwonderen as er niet wat met die zenuwknar gebeurd is. Ik had zellef motten gaan. Je mot altijd je eigen ingeving volgen. Nou zit ik voor Piet Snot.’
‘O! O! Wat zeg je een vieze woorden. Mag dat?’ verbeterde het kereltje, dat al lang geen bellen meer blies, omdat hij van het harde adem aanzetten pijn achter zijn kaken gekregen had en omdat de zeep, die je binnen kreeg, al deed je het nog zo voorzichtig, verroest-smerig smaakte. De laatste anderhalf uur was hij met tekenen en sausen bezig geweest -de juffrouwen met lange haren waren allemaal moeder -de mannen met een pijpje in hun mond en een rookwolk als van een fabrieksschoorsteen waren vader. Het zag er uit om te zoenen en al had hij dat niet in werkelijkheid gedaan, de blauwe verf, die het soppigst kleurde, had deukgaatjes tussen zijn neus en zijn bovenlip getrokken en zijn vingertoppen zagen er haast net zo groenig uit als die van het benejeme-rakeL
Sterke tante Toos, geprikkeld door het eindeloos wachten -je wist bij God niet hoe je moest doen, nu het tegen etenstijd liep en het op die manier nacht kon worden! - liep af en toe als een kip die haar ei niet kwijt kon raken. De gezamenlijke kastjes van het huis had ze afgezocht, of ze de etens-boel vast op kon zetten, of ze de aardappels zou beginnen te jassen, maar het was me door de zenuwbereddering van de laatste dagen zo’n keet bij haar zuster, dat je geen kans zag een warme hap klaar te stoven. Tweemaal had ze Magdaleentje een schone luier aangedaan en omdat het kind honger had en zich niet Het sussen, had ze een fopspeen van een schoon stukje linnen, in suiker gedoopt, gedraaid en ad was het wurm, aan betere kost gewend, eerst niet belust en schreeuwde ze met longen als van een omroeper met een blaasbalg in zijn lijf, na een poos lag ze te lurken of ze op paling in gelei getrakteerd werd.
‘Zou u me in bed willen leggen, tante?’ vroeg de jongen, die wit zag van vermoeienis. Hij had zich groot willen houden, maar net terwijl hij bezig was met een koningspaleis en de hond van de koning, met een staart als een haren fontein, draaide de kamer zo met hem rond als op die ongeluksdag, toen hij op de ketel met kokend water getrapt had.
134