‘Nee schat,* glimlachte tante - net moeders lach - ‘ik jok nooit, want je mag niet jokken en me twee zoons doen het nog iedere dag of iedere nacht, as ze van de ploeg zijn. Op het ogenblik zijn ze benejen in het stikkedonker met hun lampies.’
‘Wat voor lampies?’
‘Om bij te lichten. Ik ben is een keer benejen geweest. Je ziet geen hand voor je uit. Je ziet enkel lampies.’
‘Net as we vanbinnen hebben, net as de poes?’ vroeg hij.
‘Ja vent,’ zei ze, zijn bedoeling niet begrijpend, niet wetend dat de electriciën hem zo’n mooi verhaal had gedaan - én ze was met haar gedachten bij het onheil van voor jaren ‘Nou, toen is me man op een dag met de ochtendploeg de mijn ingegaan. Nooit meer teruggezien. Zijn eten en drinken stonden op tafel, net as altijd, mocht hij niet meer gebruiken.’
‘Heb je hem niet meer teruggezien? Hoe ken dat? Hoe ken dat dan, tante?’
‘Het kan,’ zei ze en met het hoofd met de zilveren linten keek ze een andere kant op. ‘Ze hebben hem wel na een week onder de stenen en het puin gevonden, maar toen wou ik hem niet meer zien, om aan hem te denken zoals ik hem gekend heb. Dat is beter. Anders herken je mekaar mis-schien later niemeer.’
‘Ik was hem gaan halen,’ zei het kind ontevreden. ‘Je heb toch zelf tegen moeder gezeid: je komt niet zonder je mem terug.’
‘Jaja,’ glimlachte tante - maar dan werd de voerman weer in haar wakker, want de meneer van de gele gordijnen kwam thuis en eer die het Yaleslot had opengepeuterd, kreeg hij een laag, waarbij het ‘Vullisbakkeras’ een tedere liefkozing was.
Koertje zat terwijl met de pijp in het sopje, liet het water zo borrelen dat de violette, parelmoeren en glinsterendzil-veren bellen als druiventrossen over de komrand stegen.
20
‘Daar snap ik geen snars van,’ zei tante Toos. ‘Ze weet nog beter as ik dat je zussie de borst mot hebben en dat ik hier
133