mee naar de ramp keek, zonder te weten, wat ’r met ’t schip in de razende branding en met z’n allerliefsten gebeurde....
Nu, na zooveel eenzame jaren, met niet te veel genegenheid om me heen — bezocht ’k ’n voor altijd verloren gewaand graf en de af gebrokkelde papegaaistok, met algen en wier, piekte omhoog als ’n zotte gedenknaald.
Rijkaard beklopte goedig m’n schouder, wenkte me voort te stappen.
Twee-, driemaal keek ’k nog om, als ’n malloot pro-beerend de plek te onthouden.
Toen kwamen we ’n tweede ,,graf” voorbij — den duidelijk herkenbaren kluiverboom van ’n fregat met onbeschadigden Spaanschen ruiter, gaaf gebleven waterstagen, kluiverstampstag, boegspriet en achter-uithouder.
’t Maakte me koud.
De wiegeling der lantaarns sloeg voor ’t eerst schaduwen.
Zelfs de makreelen hadden ’r geen gehad.
Tusschen en achter ’t gezwollen hout, de als groene guirlanden zachtjes luwende touwen en ’t met gras bemoste geweef van wat eens fokke-, groot-, of bezaanswant was geweest, dobberden vage, zwarte verkleuringen van ’t water — of reuze-koddebeiers zich bukten en dreigden — of norsche bidders amper opzij gingen — of onzichtbaren, nijdig over de schennis van licht hiér en voetstappen hiér en loerende oogen hiér, morrend en vloekend heenstoven.
Bijna raaklings er naast, schijnbaar tegelijk in stormweer op de banken gedreven, lei ’n stoomboot in ’t zand verwroet.
100