ren, porceleinkrabbetjes, zeekrabben, ’n verdwaalde spin en kanjers van wolkrabben, nieuwsgierig toe-loopend en met de haast van ’n burgerjuffrouw, als de Angelus ophoudt te luiden, ’n drafje inzettend.
’n Vette poon, hofdiender van ’n pond of acht, met ’n buik zoo rood als ’n versch gekookte biet, plofte in z’n verliefdheid op m’n lamp, tegen m’n helm aan — ’n kleuterige zeeduivel (als onze visschers ze vingen, loosden ze ze dikwijls nijdig in ’t water terug met ’n tabakspruim in de kieuwen!) zigzagde bij m’n beenen of-ie ’m om had — en over ’t zand gepeddeld, schoten herhaaldelijk bruin-gemarmerde grieten, schollen met geelroode op menie-kwakken gelijkende vlekken, scharren en botten, smelten en kritten, lassen en bun-scholletjes, ruitvormige tarbotten en als donderaaltjes voortglibberende weggooien.
’n Beroepsvisscher zou bij ’t enkel zien van de listig op de banken schuilende schavuiten gelikkebaard1) hebben — ik, stumperig meesjokkend, ’n (door de ongewone beweging, ’t waterdicht pak en door zekere aan de mayonnaise-saus, den caviaar en vooral der „demi-mondaine” te wijten interne verschijnselen) zweetbad ondergaande — genoot geenszins van het ontzaggelijk Aquarium dat zich aan ons openbaarde. Dicht bij de Schouwenbank, op ’n plek die de visscher-lui „Duivelsrug” scholden, stond Rijkaard stil.
Ruth, naar me toe komend, vrouwelijk gebaar, dat ’k nooit zal vergeten, nam me bij de hand en met ’r lamp ’n groen-doorvreten wrakhout met ’n afgebroken pa-
1) Moet het onsympathiek idee „likkebaarden” nog langer blijven bestaan? Hebben onze voorouders gelikkebaard? Heeft u ’t? Heb ik ’t? Verzet zich ons kuisch- en zindelijkheidsgevoel niet tegen élke onaesthetische beweging, onverschillig of dezelve baard of hielen misbruikt?.... E. de W.
98