’t noorderhoofd drong tot ons door.
„Oppassen!”, zei Rijk, door ’t vooruitsteken der beide armen.
De scherpe kiel van den trawler met z’n wrattenveld zeepuisten en bryozoën gleed ons voorbij — de schroef floepte slibberig zand op, borrelde vuil en stervende kwallen rond de lantaarns.
„Ach, ach — pikten ze me maar op”, zuchtte ’k, m vlegelachtige ondankbaarheid —: „zat ’k maar bij ze op dek!”
Kon ’k vermoeden dat de trawler nooit meer de haven terug zou zien — dat ze „opgeschreven” was?
Nog in ’t kielzog stapten we zeewaarts, de richting der roode geleidelichten volgend, tusschen noorder- en zuiderpier.
’t Iedere kwart minuut ronddraaiend licht van den lichttoren op ’t blinde hoofd begon ’t water zoo snijdend te beklieven of ergens op den rand van ’n wolk ’n smakker ’n spiegelscherf tegen de zon in bewoog. Voor ’t eerst, bij weerbarstige tusschenpoozen, zag ’k de lichamen van Rijk en Ruth, ten voete uit — Rijk, ’n zeegedrocht, met kleine beenen, knoestige schoeren, ’n luchtbellen sputterenden helm — Ruth, slank, elegant, als ’n boven ’t water uit schietende goudmakreel en zelfs de ontwijkende belletjes hadden (is ’n verliefde toerekenbaar, voor z’n daden verantwoordelijk, normaal-kijkend — in één woord snik?) iets waar-lijk-genoegelijks, monters, opwekkends, dat, jammer, héél kort duurde, en zich bij de brulboei in zee nog even, maar zwakker herhaalde.
Oppassen!”, seinde Rijk bij ’t Noorderhoofd, waar meer dan dertig voet water stond, en waar de zuiging van ’t zand je geniepig beentje lichtte.
96