zaltmuur, overdacht ’k natuurlijk geenerlei van deze hupsche, aan den kouden bovengrond verwante be-peinzingen.
’k Had niet alleen m’n volste attentie noodig, om niet uit te glijden — elke voetstap werd de gevaarlijke vernieling van honderden slakkenhuisjes, mosselschelpen, hoornwieren, mosdieren — doch daarenboven pleegt zelfs ’t pienderst schepsel met ad-remme antwoorden en snuggere overwegingen uren later in ’t gereede te raken.
Ons heel menschelijk ontwaken, bewustworden, begrijpen, is te dikwijls mosterd na zuren maaltijd.
Als onze levensplant waarlijk bloeit en volrijpt, worden de blaren geel en bespotten ons hoonend.
We zijn met alles te vroeg of te laat.
De gulden middenweg is nauwelijks geplaveid.
Met andere woorden we dénken zeer zelden, terwijl we daadwerkelijk dóén — ik tenminste dacht in de sluizen geen jota van ’tgeen ik er nu op m’n stoel met ’n pijp in m’n mond en m’n voeten in ’n voetenzak over phi -losopheer.
De eenige concentratie van m’n gedachten was bij ’t: ,,Laat ’k Rijkaard en Ruth in Godesnaam niet uit ’t oog verliezen — en zou ’t geen tijd worden terug te marcheeren....”
„Stilstaan!”, wenkte de zwaar-geschouderde aanvoerder. Bijtijds, ’n Stoomtrawler, dof-toeterend, vreemde klacht van ’n kermenden hond, bewoog naar de pieren.
’t Was ’n geluid als uit ’n dichtbije diepte, ’n kort-waarschuwend stooten, dat de schepen alleen lieten hooren als ’t mistte. Ook ’t zwakke, loom-slierend geroep van den misthoorn en dat van de brulboei bij
95