vingers omhoog, hetgeen: „....Vlugger loopen! (Wat
duivel! Aap van ’n jongen! Enz )” bedoelde, en om
’r meer kracht bij te zetten, bij gemis aan stopwoord, voegde-ie ’r ’n pootigen knoop in den vorm van ’n por in m’n ribbekast aan toe — zijnde dit manuaal de basterdvloek bij uitnemendheid der doofstommen.
„Verroest!”, protesteerde ’k luid, niet bereid hem in gelijkluidende, onderwatersche folklore te antwoorden. Indien ’k bij deze onzachte familiariteit weg of steg hadde geweten, zou ’k m’n hielen gelicht hebben x) — nu uiterst gebelgd volgde ’k Ruth’s slank silhouet. Ploemp! ’t Eerste incident.... Juist was de reuze-geep voor de zooveelste maal met z’n staart als ’n harpoen naast me neergekeild, toen ’n ding over me viel, dat de heffing van m’n armen belette, m’n helm met spin-ragdraden belei en ’n aantal makreelen tegen me aan plette.
De boven ’t watervlak buitelende geep had zeer waarschijnlijk de aandacht van ’n visscher getrokken.
’n Werpnet zooals ze dat bij de pierhoofden meer gebruikten, wrong me lekker-ongemakkelijk om ’t lichaam.
Angstig keek ’k om, Rijk’s helpende hand zoekend.
Hij zag ’t ongeval, dee ’n paar onzekere passen, ging op ’t zand zitten — of liever liggen, de ellebogen achterover gespaakt.
x) Indien ’t „hielen lichten” iets zoo opmerkelijks is, dat we de expressie als ’n b ij z o n d e r h e i d gebruiken, bewijst ’t zoomaar en diepst-beleedigend, dat wij Hollanders futlooze hielen bezitten. Er gaan wel-is-waar veel lieden met opgelichte teenen, meerderen met klompen en toffels, sommigen, ook moderne vrouwen, zonder hakken, maar zijn platvoeten zóó algemeen-menschelijk?
91