„De Wilde, vrindje”, zei de brigadier, onmalsch en onheusch: „’t loopt spaak met je! ’r Is ’n grens! Als je in ’t openbaar lastig wordt, vlieg je in de lamp”. „Wat bedoelt u?”, schrikte ik.
„Ik bedoel”, zei-ie met ’t geduld dat men tegenover geesteszwakken toont: „dat ’r al meer klachten over je ingekomen zijn. De sluiswachter klaagt dat je iederen dag in de buurt van de sluizen scharrelt en de deuren met steenen smijt.... Met wat wilskracht kun je je over je tobben van dien brand en de drie verbrande men-schen heenzetten!”
„Ik ben minder gek dan jullie denken!”, stoof ik op: „als je ’t dan weten wil: ik kan je de plek aan wijzen, waar de tien kisten liggen, als ze niet van d’r plaats zijn gesleept!”
Even keek-ie ernstig.
„Waar is dat dan?”
„Achter de sluisdeuren!”
„En hoe weet jij dat?”
„’k Heb ’r aan meegeholpen — daar: je mag me op slag opsluiten!”
„Zoo — zoo”, sprak-ie glimlachend (als ze niet met d’r oogen knipten, of meelijdend deden, of goedertie-rend keken — glimlachten ze, de ellendelingen!).... „en hoe is dat gebeurd?”
„We zijn ’r onder water heengeloopen brigadier....” „Ja, ja — ’t is goed”, viel-ie me in de rede — en z’n kalme hand beklopte m’n schouder: „de rest vertel je me wel ’ns later — vandaag heb ’k geen tijd meer.... Maar m’n waarschuwing onthou je! Anders doet de burgemeester aanvrage je in ’n gesticht op te nemen, ’t Is niet prettig je dat te zeggen, maar ik wil geen last meer met je, begrepen?”
242