idioten-gesticht! ’k Zal ’t aan de heeren rapportee-ren!”
„Nou, nou!”, suste de brigadier en hij fluisterde met den vader, die ’t hoofd schudde en me nog meelijden-der dan de politieman straks aankeek.
Ik kroop in bed, liet grootva, die helsch was dat ik zijn broek en buis gemoerd had, rustig schelden en de volgende, eindelooze dagen bleef ik in kooi, hoestend, ellendig, te zwak om ’n vin te verroeren, en me gèk prakkizeerend over de manier, waarop de Rijken gevlucht waren, gevlucht met of zonder kisten.
Me gèk prakkizeerend. ’k Herhaal ’t woord gek, zonder ’r bij na te denken en zonder lust, ’t te schrappen, nou ’t ’r staat.
Een keer meer of minder! Wat doet ’t ’r toe!
’t Gerucht was in ’t dorp.
M’n stellig aanhouden over ’t ééne onderwerp dat me interesseeren kon, dat van vroegen morgen tot vroegen morgen m’n hersens doorwoelde — of ze gevonden waren — of iemand ze op ’t strand had gezien — of ’r niets meer gehoord was van den diefstal der tien kisten met de miljoenen, waarvan ik de aangifte op ’t politiebureau mee had gemaakt — dat maniakaal doorslaan over ’t zelfde met grootva die ’r soms bij begon te huilen, met den weesvader die op hinderlijke wijze g o e d i g dee, met den dokter die maar ja knikte en meer met den weesvader dan met mij sprak — dat onrustige vragen en ’t uren lang staren in eenzelfde verbeeldingsrichting èn ’t verhaal van den brigadier, die me halfnaakt (naar zijn zeggen) en heel verkleumd (dito) op de puinhoopen midden in den nacht aan had getroffen, terwijl ik den hond mishandelde — hadden de twee duizend zielen op m’n gek-zijn voorbereid.
239