of dat de aandacht trok, of dat-ie me al langer in de spiezen had: de brigadier trad op de ruïne toe.
„Wat zoek jij hier, De Wilde? Ik dacht dat je ziek in ’t Weeshuis lee?”
„Ik wou”, zei ’k en ’k kon m’n hoofd niet stil houden zoo als ’k van kou beefde: „ik wou is kijken....”
Hij antwoordde niet, keek me enkel scherp en.... meelijdend aan.
Dat prikkelde me.
„Brigadier”, hernam ’k klappertandend: „gelooft u, maar in Godsnaam geef ’n eerlijk antwoord! —gelooft u dat ze hier onder liggen?”
„Waar wouen ze anders zijn”, praatte-ie goedig — bijna dezelfde toon van den dokter — „èn vader èn .dochters zijn in ’t huis gezien, toen ’t brandde. Door ’t dak kunnen ze moeilijk gevlogen zijn!.... Ga jij naar ’t weeshuis terug, De Wilde!.... Je ben half aangekleed en je staat te klappertanden!....”
’t Lag me op de tong alles te vertellen en de plek aan te duiden, waar de tien kisten moesten zijn — ’k dorst niet — als ’t diefstal was, had ik meegestolen!
„Ik wed ’r wat onder dat ze niét dood zijn!”, zei ’k hardnekkig, „en ’k wil ’r persoonlijk bij zijn, als de boel hier opgeruimd wordt....”
„Niemand zal je daarvan terughouen, maar daar zul je geduld mee dienen te hebben — de Rijkswaterstaat zal met de ouwe sluizen zoo’n haast niet maken!”
Hij liep met me mee naar ’t Weeshuis, waar de vader al ongerust uit ’t raam hing, omdat-ie me in m’n bed, toen-ie nog ’ns was wezen kijken, gemist had.
En dat gaf voor de deur ’n onzalig spektakel.
„As je d’r weer vandoor gaat!”, zei de weesvader onzacht, „sluit ik je voor goed buiten — ’t is hier geen
238