Ik hakkelde, zweeg.
Voor ’t verhaal van de tien kisten met de miljoenen was ’t te vroeg.
„Ik schrijf je een calmans voor — en je kleeren krijg je voorloopig nog niet....”, zei de dokter.
Ik staarde voor me uit.
In den chaos van m’n koortsgedachten wrong alles zich naar één kolkend, kringelend middelpunt.
’r Kon geen brand ontstaan, konden geen drie men-schen op klaarlichten dag in dat huisje zijn omgekomen. ’t Was onmogelijk!
En gesteld dat ’t zoo plotseling, zoo kort na m’n vertrek gebeurde, dan hadden ze maar even naar de buitendeur te loopen, om gered te zijn.
De stand der kamers, de ligging van gang en trap waren me zoo gemeen, zoo kwellend-duidelijk. Benee hadden ze, de paar omstanders, de vlammen zien uitslaan — en boven (of een der drie ooit de trap naar zolder zou opgestormd zijn, waar de buitendeur voor ’t grijpen was.... en de kelder met z’n veiligen koker geen impasse bood!) — boven had Ruth, de berekenende, uit ’t raam om hulp geroepen....
„Grootva”, vroeg ’k, driftig — toen de dokter heen was gegaan: „hoe lang lig ik hier?”
„Dat’s vandaag de tiende dag, jongen”.
„Waar zijn m’n kleeren?”
„Je hoort dat je die nog niet hebben mag”, zei-ie onrustig.
„Ik mot ze — wil ze!”, zei ’k onstuimig: „anders loop ’k zóó de straat op!”
Hij slofte timiede heen — de weesvader nam z’n taak over.
„Wat is dat, De Wilde — wil je opstaan, als de dokter
235