èrg aantrekt, kan ik je wel zeggen, dat ’t rooie meisje, dat mooie, waarop jij zoo’n beetje verliefd was.../* „Nonsens!”, viel ik uit.
„Nou dan niet — des te beter! — dat die nog op t laatste oogenblik, toen de vlammen benee uitsloegen, uit een van de ramen boven om hulp heeft staan roepen!”
Hij keek me bezorgd aan.
„Wat had ze boven noodig?”, vroeg ik nog eens af-stootend-nuchter, zonder eenige ontroering.
„Ze zal zich hebben willen redden....”
Ik sloot m’n oogen — en de dokter kwam binnen. „Dokter”, zei ik opgewonden: „ik sta op!”
„Zoo maar een, twee, drie!”, zei de brave kerel goedig. „Ik wil naar de ruïne van ’t huis toe!”
„Heeft dat zoo’n haast?”
„Die drie zijn niet dood! De ploert heeft den boel aangestoken! Ik wil me overtuigen!”, zei ik, de dekens wegtrappend.
„Kalmte, De Wilde”, antwoordde hij sussend, of ik nog ziek was: „en wees ’n beetje redelijk, m’n jongen! Aan ’t treurig feit valt niets te veranderen.... Je moet je daar over heen zetten....”
„De kerel is ’n schoft”, zei ik driftiger: „hij heeft zoo zeker brand gesticht, als ik ’t leven heb!”
„Laten we dat aannemen”, zei de dokter, met grootva knipoogend — O, dat verdoemde knipoogen, dat me niet meer verlaten heeft! — „maar als dat zoo is, is-ie met z’n twee jonge dochters meer dan schrikkelijk gestraft!.... En waarom, waarom moet de man dat gedaan hebben?.... Dat lijkt ’n beetje op zelfmoord....” „Hij is niet dood!”, schreeuwde ’k: „hij heeft ons huisje vernield, omdat.... omdat.... omdat....”
234