„Waar zijn de Rijken, grootva?”
Hij haalde de schouders op — met ’n gezicht dat niets mocht vertellen en alles zei.
„Zijn ze uit ’t dorp weggegaan?”, vroeg ’k driftiger. „Nee”, antwoordde-ie: „ze zijn — nou dat kun je je toch wel voorstellen...., die zijn....”
Ik keek naar de witte gordijntjes, de in ’t midden door ’n band in tweeën geplooide, en zat op.
„Waar zijn ze?”, vroek ’k nog eens, dreigend en dringend.
Toen, zich inspannend, om me voor te bereiden, zei-ie zacht:
„C’était la volonté de Dieu, mon gars....”
Ik schudde’t hoofd — langzaam — ontkennend — niet geloovend.
„Ze zijn in ’t ongelukshuis omgekomen”, sprak-ie met nadruk.
Op dat oogenblik stoof Cresus de kamer in.
Ik herzag Wanda’s bevende lippen — ’r oogen vol tranen, toen ze m’n hand greep, dicht bij de woning — hoorde dat vreemde, onverklaarbare, bijna ver-snikte.... „Dag!” — en zonk met ’n woest samenknijpen van m’n tanden achterover.
Dan met ’n ruk, zat ik op.
„Zijn de lijken gevonden?”, vroeg ’k, hijgend.
„Dat weet ik niet”, zei grootva verwonderd: „en dat zal ook wel niet — ’r is geen steen overeind gebleven... Ons heele boeltje — alles, alles is in de ouwe sluizen verzakt.... ’r Staat niemendal meer!”
„Dan zijn ze niet in ’t huis geweest”, praatte ik voor me heen.
„Dat zijn ze wel, mon gars”, lei grootva vriendelijk uit: „en nou je ’t zoo goed opneemt en ’t je niet zoo
233