Ook ’t nieuws van de Hermione schenen ze te weten....
„Vanmiddag praten we verder”, zei de brigadier, die me kwijt wou zijn — terwijl ik nog ’t een en ander af wilde luisteren: „en dan wil ik dien kelder, waarin je grootvader jullie vannacht om twee uur heeft zien binnengaan, ook wel ’ns van nabij zien.... Bevallen doe jij me niet....”
„U mij ook niet”, zei ik, me over m’n durf verbazend: „als de burgemeester hoort dat ik gister al gezegd heb, dat ’t meisje opgehaald was, dat ik ’r u aangifte van gedaan heb, dan staat ’t te bezien wie van ons twee aan ’t kortste eind trekt....”
Hij was gebluft. Ik floot Cresus, die met ’n roodhari-gen hond met zeere oogen aan ’t stoeien was.
„Dus heb jij ’r uit ’t water gehaald?”, vroeg-ie achterdochtig.
„Nee, dat niet”, zei ’k: „maar je merkt dat ik ’r van wist....”
Het was m’n laatste stupiede antwoord in de rampzalige zaak.
Als ’k op dat moment ja had gezegd, zou ’k iets in m’n leven hebben bereikt, zou de premie me tenminste niet zijn ontgaan!
Geen tien tellen later, nog terwijl hij over mijn antwoord prakkizeerde, nam ’t Noodlot mijn toekomst in handen.
We sloegen den hoek der straat, die naar de haven voerde, om — keken alle drie naar ’n vreemden, on-gewonen rook in de bochting bij de sluizen.
„Dat ’s brand....”, zei de brigadier, de hand boven de oogen, om beter ’t hinderlijk zonlicht te weren.
„Dat’s öf in ’t Veem öf in....”, zette de kapitein in.
230