lijke stem achter de kelderdeur bezig gehouden! — ik, met de vreugde van den samenzweerder, die door ’n toeval medeweter van ’n vijandelijk geheim is geworden — ik werd door ’n dwaze wisseling van stemmingen, die ons allen parten speelt, en zulks zoo kort na m’n pijp-vermoordenden-angst, van ’n gevaarlijke driestheid.
„Most ik me daarvoor in ’t zweet loopen?”, morde ik opstandig: „had ’t nou ineens zoo’n haast?”
„As jij ’n zuiver geweten had”, merkte-ie langs z’n neus op (ik zoude wel willen vernemen wat men niét langs voornoemd lichaamsdeel opmerkt!): „dan had jij je niet zoo lang in je kelder verstopt, toen Janssen en ik je inlichtingen kwamen vragen.... Hè?”
Den sleutel hield-ie in de hand.
Met Cresus bij m’n hielen hadde ik kunnen heenstappen, en dat ware bedachtzamer, vroeder, logischer geweest....
„Ik heb niet zóó lang in den kelder gezeten!”, zei ik boud.
„Zoo?”, zei hij, me akelig scherp opnemend: „waar dan? Jij en die sinjeur, die bij je inwoont en die me geen zier bevalt — jullie zijn den heelen nacht van honk geweest, hè?....”
„En wat zou dat!”, antwoordde ’k in dezelfde vermetele gesteldheid: „als je gistermiddag naar me geluisterd had, toen je me bij de sluizen haast in m’n kraag pakte, omdat ik zei dat ’t meisje nog leefde — had je vanmorgen niet naar me hoeven te zoeken....” „Vooruit nou, brigadier!”, drong de kapitein van de sleepboot: „sta je tijd niet te verklessen!”
We liepen gezamenlijk op, en de dorpsmenschen, die in troepjes stonden te babbelen, keken ons na.
229