den tros en den koevoet mee na boven gebracht!.... En ’r mag geen minuut met kletsen verloren gaan!.... Alles wat de haven binnenvalt of binnengevallen is, mot onderzocht worden!.... Zóó brutaal is ’r nog nooit geroofd geworden!”
De brigadier zat in nadenken.
Even schichtig van Cresus’ oog en tandstompen opkijkend, zag ik de kleine, zekere hand over de baard-spits glijden.
Z’n penhouder had-ie naast de leege, door koffiedik-bloesems beteekende kom neergeworpen.
„Kan ik me d’r van o vertuigen ?”, vroeg-ie opstaand, me glad vergetend — gelukkig: ik was allerminst tot beklag over nonchalance gedisponeerd.
„Van wat?”, zei de ander geprikkeld: „as je de duiker niet gelooft, ken je ’n beëedigde verklaring krijgen.... Ze zijn al naar den consul toe....”
„Ik ga met je mee!”, zei de brigadier, z’n pet grijpend. Bij de deur lette-ie mij en Cresus op.
„Jij moet vanmiddag terugkomen, De Wilde”, sprak-ie: „’k heb nou geen tijd”.
„Best!”, zei ’k, zéér verlucht opstaand.
„Tegen ’n uur of vier ben ik hier weer!”
„En grootva?”, vroeg ’k, me de woorden van Janssen over ’t logies herinnerend.
„Die is lang weer los, jongen — wij moeten samen over de historie van die juffrouw en over ’t bankje van Sligting praten....”
Den sleutel stak-ie in ’t slot.
Ik, opgekikkerd door z’n vrij wel vriendelijken toon en meer nog door ’t weten van ’t wat waarover-ie me ondervragen wilde — welke zonderlinge onderstellingen hadden me van af ’t herkennen der veldwachter
228