’r bij.... Dat loopt in miljoenen, brigadier!”
Ik bukte me, om ’n nimfebeen op te rapen.
En zette me, met een astrale wasbleekheid, waarvan ’t door spinwebben besprongen, in de hoeken groen ver-schilferd spiegeltje op de lakbaan van den gestuka-doorden wand ’n voelbaar- geflatteerde reflectie greep, op de zondaarsbank bij de tafel.
Om de aandacht van den stuggen, achterdochtigen brigadier, wiens attentie waarlijk bij het overstelpende bericht des zeemans was, af te leiden — zwaar hield het schuldgevoel op mijn gelaat huis! — streelde ’k den kop van m’n eenoogigen kameraad.
Indien Rijk mij met het anker had laten manoeuvree-ren en niet met zulk een misdadigen spoed heen was getrokken, zouden ze tenminste den tros met de daaraan gehechte kist en den koevoet niet hebben gevonden en ’t gat in den romp aan andere oorzaken hebben toegeschreven....
„Wel gedorie! Wel gedorie!”, hernam de brigadier na een stilte, en ’k hoorde z’n vingertoppen op ’t blad der tafel nerveus heen en weer trommelen: „ik vraag nog eens hoe dat ken! Eerst vannacht is de wind gaan liggen.... En jullie zijn ’r vanmorgen voor dag en dauw bij geweest.... Dan had je toch ’n vlet of ’n boot in de buurt gesnapt motten hebben.... En dan nog, kapitein — wiè heeft daar onder water bij-gekend? Je heb zélf duikers moeten laten afkomen!.... Kan ’t schip niet op de banken gestooten hebben?”
„Nee!”, zei de aangever driftig: „praat ik Hollandsch of niet?.... Als ’n schip op de banken stoot, slaat ’r dan ’n gat in, waaromheen je ’t witte hout, netjes weggehakt, krijgt te zien?.... En de kist die aan ’n tros hing?... En de koevoet?.... De duiker heeft ’n portie deelen,
227