waardigs, onrechtschapens voor te stellen, waar we met ’n eerlijken, heusch-eerlijken glimlach die daad te ieder uur bij elkander vermoeden? Een der onom-stootelijke waarheden is dat we liegen. Bewust of onbewust, maar meestal gloeiend bewust. Ik twijfel of iets waarmee wij allen behept zijn — tot de ondeugden gerekend moet worden. Is naast liefde, naastenliefde en dood iéts algemeener-menschelijks dan ’t goddelijk liegen?....)
In de Langstraat staken de menschen de hoofden over de horren, mij, m’n vest, m’n pijp, m’n eenoogigen bloeddog nakijkend.
’k Durfde weer te knikken — ook ’n paar visschers-vrouwen.
Maar ze volhardden in stugheid. Als ’k geen dief was — bleef ’k voor de toekomst (ik kende dat bijgeloof) ’n ongeluks-aanroeper — ’n zwarte raaf....
Tegelijk met ’n man, dien ’k nog nooit had gezien, betrad ’k ’t gangetje van ’t bureau.
„Hier ben ’k”, sprak ’k den brigadier toe: „waar is....?” De onbekende, z’n zuidwester driftig op tafel werpend, verdrong me met z’n lijfsmeerderheid.
„Ik kom”, zei-ie: me zonder meer ’t woord ontnemend: „van ’n schreeuwenden, ongehoorden diefstal aangifte doen. Uit de kajuit van ’t schip, dat voor de kust leit, zijn al de kisten met goudstaven op een na gestolen.... Dat moet nog vanmorgen gebeurd zijn....”
De bloote nimf en de twee paarden vielen uit m’n hand aan gruzelementen.
„Wel gedorie!”, vloekte de brigadier: „hoe ken dat? ’r Was toch geen bijkomen aan!”
„De duiker heit ’n weggehakt gat in den romp gevonden. De laatste kist hing aan ’n tros, met ’n koevoet
226