hadde bezeten nog eerst een grootva’s slaap te contro-leeren — ware dit alles vermeden geworden. Als! Als!.... Als hadden komt is hebben te laat....
Zeer bescheiden — niet belust de uiteenzetting zijner nieuwste bezwaren persoonlijk, zóó van nabij en heet van de naald aan te hooren — slipte ’k de kamer uit. Boven kleedde ’k me met spoed, maar met zorg, om ’r bij wat op het politiebureau wachtte, toonbaar uit te zien. ’n Goed gekleed mensch wekt minder achterdocht dan ’n verloopen. En ’k had ’t voorgevoel, dat ’k na de vuile herrie van Poot, Sligting en den broer van Verploeg, na de verdachtmaking en schimpwoorden — vandaag als gelouterd mensch opnieuw de aandacht zou hebben.
’k Trok m’n wit piqué vest en ’n nieuw (linnen) boord aan, stak ’n sigaar in de prachtpijp met de bloote nimf en de twee hollende paarden (die aan de buikzij begonnen te spikkelen) en in dezen uiterlijk-welvaren-den staat, zij het groen-bleek na ’t gezwalk in den onderwaterschen mist — ging ’k zoo wijdbeens mogelijk de trap af — om de treden niet te doen kraken — en om, vóór ’k aanklopte, nog eenige momenten stie-kum te luisteren.
Mis. Rijk had de kamerdeur wijd-open gezet — en bij m’n onhoorbaar aansluipen over ’t loopertje maakte ’k ’n zoo onzaligen indruk, dat m’n oogleden in den reflex van wat dat weer ’n mot zou geven, onbehagelijk knipperden. Rijk, Ruth en Wanda stonden dicht bij de deuropening....
„Dan ga ik, meneer”, hakkelde ik.
„Goed”, zei-ie, glimlachend, met gebalde vuisten. „En ik zal stevig van me af liegen, als ’t noodig is”, hernam ’k — woest om de kleur-van-’t-zoo-door-alle-
223