hadden koffiegedronken en van grootva’s uitblijven niets begrepen, tegengekomen — op weg naar ’t hotel. Ze hadden mij willen spreken — hadden Wanda’s
vader willen spreken En bij ’r verward-angstige
antwoorden — dat we allemaal uit waren — zc wist niet waarheen — en hoe lang we nog uit konden blijven — bij ’r hakkelen, zich verpraten, angstig kelder-waarts kijken (en God weet wat ze meer had gedaan en gezegd — ze herinnerde ’t zich half!) was de veldwachter op en neer blijven loopen, terwijl de brigadier persoonlijk mee naar ’t „Hof van Holland” was gegaan.
Ook zij hadden de kleeren op de stoelen gezien — en in verband met grootva’s verhalen dat om vier uur nog niemand van ons thuis was geweest, niet ver te zoeken conclusies van n machtig-raar leventje in dat eenzame huis, getrokken....
„Hou op!”, viel Rijk Wanda op deze hoogte van ’r gejaagde uiteenzetting in de rede: „de rest schenk ik je!” „Wat had ’k anders moeten doen, pa?” vroeg ze angstig.
„Niemendal!”, zei-ie, naar de klok kijkend.
Z’n gezicht stond zoo hard, zoo vol wrokscheuren en ingehouden verwoedheid, dat we alle drie bang voor m waren.
Ik in ’t bijzonder. Direct of indirect droeg ik de schuld van de verwikkelingen, die zoo niet fataal dan toch uiterst onaangenaam geleken.
Als ik niet met de lafheid van ’n haas (na Rijk’s poenige bedreigingen, aan gene zijde der deur) ’n revolver gekocht had — en ’m door m’n schor verzoek ’r in Godsnaam voorzichtig mee te zijn, niet aan ’t lach-stuipen gebracht had — en daarna zooveel nagedachte
222