sterker aangesproken dan voor een bedachtzaam-voorzichtige stemming wenschelijk scheen.
Wanda, niet de leepste van de familie, en zonder paardemiddelen uit ’t veld te slaan, had de twee soorten nerveuze explosie met ’n keur van overredingsmiddelen, drogredenen en in gebrekkig Fransch stuiptrekkende argumenten pogen te sussen.
Hermione wilde op slag, zonder verder ’n minuut te verzuimen (of ik ’t bij de taxatie van Rijk’s betrouwbaarheid als briefbesteller bij ’t rechte eind had gehad!) naar ’t dorpshotel, waarvan ze den naam radbraakte, terug — grootva, elastisch en uitbundig door ’t weer ’ns malsch kunnen plapperen der geboortetaal, die-ie na den dood van den Franschen schilder nog alleen maar bij uitzondering met mij had gesproken — grootva, met de starre hardnekkigheid die ’k van ’m kende als-ie zich „kip” voelde, had nog hartstochtelijker dan ’t meisje geschreeuwd dat ’t „un scandal énorme”, „une perfidie atroce” was, om ’n vader zoo in den dood van ’n kind te laten gelooven.
Toen had Wanda, die ’t terecht krankzinnigenwerk vond ’s nachts drie uur met ’t meisje door ’t dorp te trekken, en den reeder zonder voorbereiding met zulk eene verrassing op te schrikken, de enorme dwaasheid begaan grootva vooruit te sturen, om de familie met tact voor te bereiden.
,,Laat mij maar scharrelen — ’t is me toevertrouwd!”, had-ie met ambitie geroepen, en om vier uur ’s morgens, bij ’t sullig doorbreken van ’t waterzonnetje, was-ie naar ’t „Hof van Holland” getogen.
Bij de kom van ’t dorp — o, klassieke noodlotsspeling! — was-ie den nieuwen brigadier en Janssen den veldwachter tegen de be-uniformde lijven geloopen, waar
219