beteuterender, slaplendiger dan de leegte na ’n knallende daad, die in den grond geen daad is; iets beroerder dan je houdingloosheid na ’n eruptie, wanneer je zielig en putluttig de plots inert geworden stelligheid van je handen en voeten door-meet en je lichaam zich te klein m de verwijdingen van je lijfsvel gevoelt — ik zoude te dier plaatse vermoedelijk hoeveelheden tijds hebben verbruikt, om de gedweeë rust mijns ik’s terug te vinden, als de schel niet geluid had.
Of-ie niet van de deur weg was geweest, keek Rijk door den kier.
Voor ’t eerst ontleedde ’k angst in z’n oogen.
„Niet opendoen....”, fluisterde-ie.
We bewogen niet — tot Ruth in de kamer lachte.
„’t Is Wanda, pa!”, klonk ’r stem — en met dat ze ’t zei, had ’k de deur al geopend.
215