m’n leven waag! Daar moet u dan maar andere schapen voor uitzoeken!”
We stonden bij de open voorkamerdeur — ik had als in den slag bij Nieuwpoort ’t voordeel der zon in m’n rug.
Hij, pas uit den kelder, trachtte me door ’n feilen zon-neplas heen tot zwijgenis te biologeeren, knipperde onmachtig met de oogleden.
Z’n hand wrong om den steel van z’n bijl.
Als Ruth niet tusschenbeiden was gekomen, zou ik mogelijk deze levens-aanteekeningen nimmer te boek hebben gesteld....
„Laat ’m praten, pa! Doe ’m niet zooveel eer an!” ,,Wel allemachtig!”, stoof ik op (dicht bij de buitendeur): ,,....is dat m’n dank! ’k Ben jullie slaafje niet! Als je me niet op voet van gelijkheid blieft te behandelen, geef ’k ’r radikaal de brui aan!....”
’k Moet zéér overspannen geweest zijn.
Zoo tegen vader èn dochter te keer gaan — was de houding van ’n anarchist — ’n intellektueel-gestoorde. Rijk keek Ruth aan, zweeg — ik onder den last dier formidabele woorden, zonder beenen voor de dracht zulker fermheidsweelde — zweeg eveneens.
’k Dacht met nerveuze trekkingen rond den driesten mond, dat Rijk me minstens met den roffel van z’n verwoedheid en minachting — z’n neusvleugels, z’n oogen, z’n lippen: ’t gcheele complex van z’n gelaat en z’n nek stond op waarlijke bersting! — zou vernietigen: hij maakte me (O, summum van vernedering) met ’t hoonend opnemen mijner lengte, eenvoudig af, liet Ruth voorgaan, bonsde de kamerdeur dicht.
Ik zoude ter hoogte der buitendeur met de ellendige sensatie van ’n inzakkend moeds-gebouw — is iets
214