„Hou je mond, schaap!”, snauwde-ie, paars van drift: „geef antwoord als antwoord gevraagd wordt, zooals daarstraks, toen je godbetert niks anders wist te zeggen, dan dat je je schoenen poetste! Alles is stom en onhandig aan jou! ’n Lamp kun je nog niet zonder spektakel uitdraaien! Alles doe je glad verkeerd! Hou je mond en schiet op!”
Tegen zooveel gezochte beschuldigingen viel iets in te brengen.
Een moest natuurlijk de zondebok zijn!
Ik had allerminst zoo’n belabberd geraas als Ruth gemaakt — en als ik niet zoo energiek ’t anker van de sleepboot gelicht had, waren we misschien nog niet van ’t avontuur terug.
Vooral de herinnering aan ’t laatste, waarlijk mannelijk gebaar — zoo ’t bij ’t beleg van Leiden of ’t ontzet van Den Briel ware geschied, zou de historie ’t hebben vermeld! — bracht mijn gemoed (het deel van ’s men-schen innerlijk hetwelk bij ongerechtigheden pleegt te revolutioneeren) in volslagen opstand.
Er kwam bij dat ik moe was. En dusdanige lieden zijn tot dezelfde opbruisende excessen als huiskeerende drinkebroers bereid.
Is niet de prikkel der zenuwen de meest satanische rustverstoorder in de geloovigste gezinnen?....
Op van ’t gesjouw op den bodem der zee — let wel: hoe ontrustend was de nacht niet geweest! — verdraaide ’k ’t de kwaadgeluimde nukken des flibustiers zonder betoogend verzet te aanvaarden.
„Als ’k dan alles verkeerd doe, alles stom en onhandig aan me is!”, beweerde ’k met de noodige stem-vermeerdering, om den gang mijns moeds te steunen: „....kunt u buitengewoon lang wachten eer ik nog eens
213