geduldiger de deur bekloppend: „bang voor da!, papiertje van honderd gulden, dat je bij Poot gewisseld heb en dat je van Slicbting gestolen zou hebben, hoef je niemeer te wezen. D’r zijn tonnen angespoeld en ’t lijk van Verploeg....”
„As je vooruit loopt, kom ik na....”
„As je ’t dan dóét.... We zijn al driemaal an de woning geweest....”
„Driemaal?”
„Vanmorgen om acht — toen om tien — en nou.... Schiet op!”
’t Eens nieuw geweest loopertje — ach, ach de fatale dag toen de ontwijdende Rijken het ’t allereerst met hun fietsen bevuilden! — dat in je benepenheid klaar voor je oplijnend loopertje met z’n roode en zwarte banen, dempte ’s mans zeven, acht stappen (langer was de gang niet) en de dichtslaande deur zei dat-ie weg was, onvoorwaardelijk weg, daar je in de volrijpe stilte tot zelfs ’t klokje van de voorkomer kon hooren tikken — en’t getrippel van’n stel rijstvogels, die Ruth van ’n uitstapje naar de stad mee had gebracht.
Toch, bevreesd voor n herhaling der onaangename verrassing, bleven we nog wel ’n vijf minuten spraak-en beweegloos, alle drie bleek van gespannen luistering, alle drie ’t nieuws in zijn verscheidenheden — de berichten van de Verwachting, ’t heengaan van Wanda met ’t dochtertje van den reeder, en niet ’t minst ’t driemaal terugkomen van de dorpspolitie — met onthutst-nadenkende gezichten onledend.
Rijk, zelfs Ruth hielpen me bij ’t afleggen der duikers-benoodigdheden — en zoo zeer waren ze op hun qui-vive, toen 'k eindelijk schroomvoetend de kelderdeur opende, dat ze ’t raadzamer vonden mijn teeken van
211