Een voor een, ze nu aan de ijzeren hengsels dragend, verplaatsten we de tien kisten naar de binnenzij der haven.
Op de plek, waar we ze tezaam stouwden (plek die in mijn geheugen „gegrift” is gebleven!) was tusschen twee massieve granietblokken een ijzeren schoorbout. Daaraan reeg Rijk de tien vast, maatregel die me belachelijk leek, omdat ze op de groen-beslagen basalt-brokken bezwaarlijk verzanden konden en de stroom bij eb of vloed binnenshaven nooit zooveel kracht zou kunnen hebben, om ze te verplaatsen.
Wanneer ik dit in deze uitvoerigheid vertel, is ’t omdat ’k thans zelf.... twijfel of ’k in die dagen niet gedroomd heb — of de menschen die me nu nog na lange wanhoopsjaren, als ’n zij ’t niet volslagen-krankzinnig dan toch tijdelijk-abnormaal geweest verschijnsel nakijken — of die lieden gelijk hebben....
’t Is zoo lastig, als je niets kunt bewijzen — je bent zoo schreeuwend-hulpeloos als je alleen staat, alleen beweert, alleen over dingen, die slechts je éigen oogen en ooren aanschouwd hebben, dingen die ieder ander onmogelijk acht — doorslaat....
Waarom nemen we ’r tenminste niet een of twee mee naar huis, liep ’k achter Rijk en Ruth aan, te prakki-zeeren.
Daar zat iets louche aan vast. Bij eiken tocht hadden ze al wat draagbaar was door den kelder ’t spookhuis in-gesjouwd — nu met zoo’n, naar de verpakking te oordeelen, buit als de Spaansche Armada, deden ze opmerkelijk-nonchalant — houding, die uitsluitend te verklaren was, als je in diepste achterdocht aan in-faam-geniepige streken dacht!
Op die wijze een pas met levensgevaar en velerlei soort
205