onderweg gevloekt en geketterd hebben!) dadelijk ’t dreigende van ’t gevaar inzag.
’k Heb nooit gesnapt op wélke wijze hij Ruth waarschuwde, heb evenmin ’n uitlegging voor z’n domme, buitengewoon-domme,raadselachtig-domme haast om weg te komen (’n haast die in ieder opzicht noodlottig zou worden) kunnen vinden.
Als-ie de sleepboot aan mij had overgelaten, hadde ’k nimmer ’n akte lager Fransch gehaald, ware ’k nooit op weg naar de schoolmeesterij geraakt, en m’n dage-lijksche pot aanschouwde meer gevarieerde ingrediënten dan.... (doch toome ’k m’n klachten en loope ’k niet op de daad mijns avontuurs vooruit!)
Met ongewoon-zenuwachtige hand- en armbewegingen — ontdaan èn ontdaan van het flegma zijner dapperheid, joeg-ie me op, de vier bereids gemoerde kisten mee op sleep te nemen.
Nog voor de boot haar plaats naast de Hermione herkregen had, liepen wij, stap aan stap, in ’t gareel van den tros, gelijk schipperlieden voor ’n trekschuit en we matigden eerst onzen versnelden gang, na de Schouwenbank achter ons te hebben gelaten.
Tusschen de ankerkettingen der tonnen en banjaard-boeien door-scharrelend, de Middelbank en de Steen-bank voorbij, bevonden we ons weer in de vaargeul van noorder- en zuiderpier en bij de buitenste sluisdeuren bliezen we goddank even uit.
Over mekaar op de kisten zittend, ’ns ’n ongemakkelijk, uiterst-weinig expressief woord in de armoedige gebarentaal sprekend, zagen we mekander’s verhit-vermoeide gezichten, ’t Duurde ’n uur eer de sluisdeuren werden opengedraaid — en toen nog moesten we geruimen tijd wachten eer ’t tegendestroomingopkon.
204