(had de Fransche reeder geen duikers besteld?) lette ’k op de signalen uit de kajuit.
Ditmaal duurde ’t kort. De tros trilde en ’n tweede kist van hetzelfde formaat en met hetzelfde beslag van grendels en sloten, glee op het zand.
Nog viermaal sjorde en sjouwde ik, viermaal schuurde de zwaarte der vracht ’n verwoestingspad tusschen de dorpen en steden van pokken en puisten, of Goliath ’r glijbaan gespeeld had.
Toen klommen Rijk en z’n dochter langs de lijn omhoog.
Ze zagen ’r verhit, maar glanzend van plezier uit en Ruth, om me te beduiden dat de vangst behoorlijk was, zwaaide ’r hand ter hoogte van ’t oor, gelijk kinderen en onopgevoede lieden bij ’t gulzig-wèlsmaken van ’n lekkeren schotel met zwijgende lippen-extase plegen te doen.
„Indien er God-weet-welke schatten in die zes kisten, wier voornaam-gesloten voorkomen de zoetste materialistische vermoedens wettigt, huizen”, overwoog ik, mede aan het in de krant gelezene denkend: ,,dan komen mij er rechtens twéé toe, en ben ik op weg een jongeling in bonis te worden....”
Alle begrips-onderscheid van ’t Mijn en ’t Dijn was bij ’t waarnemen van hun opgewekte gebaren verdwenen.
Voor ’t allereerst was de bodem der zee me iets anders, beters, tastbaarders dan ’n ellende-graf zonder grenzen — voor ’t eerst had de koorts van m’n genoo-ten me te pakken — voor ’t eerst voelde ik — en niet zuinig! — voor de gretigheid waarmee Rijk destijds de verovering van ’t land-onderwater enkel voor dat doel had verdedigd.
198