En toen dat na geduldig wachten tot bezinking was gekomen, toonde de scheepswand ’n gapende wond op de plaats waar we zooeven hand in hand hadden gestaan — Ruth en ik — of ’n aanvaring plaats had gehad.
’n Gedeelte der machinekamer lei bloot en van ’t tus-schendek kromde de ijzeren trap naar de kajuit.
Hij had ’n dynamietpatroon laten springen.
Om ’t gat staken houtsplinters of ’r ’n bijt was gehakt. Toch lukte de afdaling niet met de vlotheid die ik me bij het zien van de scheur voor had gesteld.
De puntige brokken van ’t hout dreigden als de tanden in ’n vraatzieken muil en vooral de krom-gebarsten pinnen van ’n uitpuilend dwarsspint weerden den toegang met de botte verwoedheid van ’n geheven klauw. Rijk, op den romp der boot, de zware olielaarzen op ’t grint van de pokken, rondde ’t gat met z’n bijl — ik, met plots ontwaakte ambitie, wroette met ’n breekijzer in de spleten.
Het was een curieuze arbeid, met nauwelijks wegend gereedschap, zonder ’t geluid van ’n bijlslag, zonder ’n kraken als ’n deel meegaf, zonder ’n opmonterend woord.
En ’n bekijks als we hadden!
De halve kust liep leeg, om ’t witte gelicht der lampjes te bestaren.
Keek je rustend van ’t ingespannen werk op, dan zag je in duizenderlei oogjes, wassen en glazen, gele en witte, droomerige en wijd-opene — en bij hernieuwde gebaren wiekte en kwiekte ’t rappe geschiet van blauwe en zwarte en zilverspettende staarten....
Rijk liet zich ’t eerst aan ’n eind van den staaltros naar de kajuittrap zakken, stommelde weg in ’t duister van
194