z’n druk op-zij en boven en achter — zonder ’t gerucht van de branding — zonder ’n schurend boomblad — zonder ’n gebenedijde schaduw.
„Meneer!.... Meneer!.... In Godsnaam, hulp!”, tierde ’k, half waanzinnig in ’t elk woord krijschend-terugketsend koper van den duikershelm.
Dan, sidderend, zweeg ’k, wachtend tot ze terugkwamen — ze móésten terugkeeren. Maar ze bleven hopeloos lang weg.
Dat ik — ik, met m’n laffen aard — in die eeuwigheid niet gek ben geworden, verbaast me nog als ’k bij ’t neerschrijven der goedig-geworden herinnering, der herinnering zonder kleur en draagkracht, m’n rug voel verkillen.
In dat kwartier — zóó gruwelijk duurde ’t eer Rijk en Ruth van ’t onderzoek aan de andere zij terug waren — heb ik een stilte gehoord zoo geraasmakend, zoo de hersens doorknersend, zoo beukend en laaiend van hamerslag — heb ’k: in ’n door geen weifeling besprongen duister zulk een ros-vlammenden gloed gezien, zulke paars-spettende, knetterende vonken, zulke waanzin-krielingen — dat ’t me nu nog toeschijnt of ’k die minuten méér dan dood ben geweest.
Toen eindelijk ’t gebeef der twee lampjes door den loggen nacht naderde, toen ’k weer licht zag en ’t schichtig geplomp van zilverblinkende visschen — toen snikte ’k ’t uit.
Aan ’t hartstochtelijk geschud van m’n rug merkte de ruwe baas wat ’r gaande was, terwijl-ie met ’n handig gebaar den draad aan den accumulator hechtte.
Voor troost porde-ie me in de ribben....
Eerst; na ’n poos lukte ’t me tot bedaren te komen en me voor de stille, geluidlooze, overheerlijke bewegin
192