stevig dierlevem gaf me ’t sentiment van verwantschap.
Godloochenaars (onder menschen) houden ’t beneden niet uit.
Iedere atheïst slaat al aan ’t wauwelen in ’n dierentuin.
Doch hoe dit zij: ik fleurde bij de visschen op, dacht met eerlijken deemoed aan God.
Als dit in dezen tijd raar klinkt, wou ’k tot m’n verdediging zeggen, dat gelooven of niét gelooven mekaar weinig ontloopt en dat ’t „zeker” atheïsme dikwijls op pandverbeuren, schuilei-spelen, rouge ou noir gelijkt — van ’t zelfde gehalte als ’t dogma met ’t benard hoofd in ’n molshoop....
Het was ’n lange, vermoeiende tocht, vooral daarom vermoeiend, omdat Rijk, wiens zekerheid in ’t pad-looze land waarlijk bewonderenswaard was, zich te ver van de kust verwijderde en een paar maal tusschen de banken verdwaalde.
Hijgend en zweetend (niet ganschelijk met voornoemde overwegingen tot het slot toe vervuld!) onderging ’k een moment ’t gevoel dat ’k stikte.
We waren op een hooger gelegen bank geraakt, zagen de romp van de Hermione vrij dichtbij, moesten de bank over, om in ’n dieper gedeelte te komen, bo-ven-watersche wandeling, die den voorraad zuurstof in de maskers verbruikte.
Het werd afschuwelijk benauwend, duurde gelukkig kort.
En tien minuten later belichtten de lampen de kiel van ’t schip, die door ’t geweld van de branding hooger gestouwd lag, dan ’t diep in ’t zand gewoeld bovendek.
190