zondagskerk, preeken en vloeken had leeren kennen — de sensatie of Hij daar óók ergens in de groene water-donkerte school en de ontzaggelijke verscheidenheden der zee naar den grappigen toover der drie lampjes stuwde — gelijk op den scheppingsdag.
Hoe vonden de visschen mekaar in die wereld zonder geleidelicht?....
Hóé koersten ze van zee naar zee?....
Hoe dachten ze?.... Hóé was de maat van hun schijnbaar luttel diergeluk als ze dicht op de kust kuit kwamen schieten?....
Dit alles moge nu (achteraf beschouwd) onvoorwaardelijk gestamel van den kouden grond lijken — tóén dacht ik voortdurend aan de scheppingsverhalen, die me in de nabijschap der rond ’t licht duikende, buitelende, weer terug-stortende en kijkende poonen, alen, pietermannen, krabben, donderpadden, zeeduivels, scharren en kritten en wat verderop in de nevelen week, onaantastbaar natuurlijk voorkwamen.
’k Geloof niet dat ’k in de diepte zou hebben durven dóóden.
’k Voelde ’t „zwemmend gedierte” in die oogenblikken als ’n ander soort volk.
Eens was in ’t dorp — ’n neger.
Dien waren we met z’n allen gevolgd, met z’n honderden.
Die was ’t klompengeklapper in de tram en de lachende supérieure gezichten eerst in z’n eigen land kwijt geraakt.
Achter Ruth aanstrompelend, met geen andere afwisseling dan de visch-variaties om me heen, was ik zóó’n neger in ’n ver, vreemd land — en hun tierig, gezond
189