del, hield je je lamp even gedekt, dan waren ze gesjeesd.
Ver uit je buurt behoefden ze niet te stuiven, omdat ze op ’n paar meter afstand in veiligheid waren.
Als ik Rijk en Ruth kwijt raakte, was ’k verloren — zij (en dat is me als een der goddelijkste geheimzinnigheden van ’t onderw atersch bestaan bijgebleven) schenen gered zóó als ze op ’n paar meter afstand van ’n belager waren gevlucht.
Ook bij dag móést ’t benee op zekere diepte donker zijn, vonden ze bescherming naar alle zijden — in ’t duister.
Hoe stumperig, klein, verdwaasd stond je tegenover dat leven, dat bizarre leven in de wateren, dat leven van dieren en gedrochten, lichamen en oogen — in verhoudingen, die buiten je begripsvermogen, je eigen gaaf-gebouwd bestaantje bleven.
In later jaren droomde ’k wel eens voor de ruiten van ’n Aquarium — met ’n glimlach.
Den indruk van ’t lugubere van den bodem der zee, van ’t zwaarmoedig, eindeloos nachtdonker met amper ’n groenigen schemer, als je niet dieper dan de hoogte van ’n dorpshuis je dook — de impressie van drukkende dreigingen, zich schuilhoudende wezens — die angstig makende stilte en nijpende verlatenheid — kan geen glazen bak met rotsbrokjes en geborrel van waterleidingwater opdringen!
Wanneer ze door ’t gegrijp van m’n hand als zigzaggende bliksems in den kringlenden nevel heenglipten en ’n eind verder uit ’t wazig gedamp nieuwe monden, nieuwe tanden, nieuwe kaken, nieuwe oogen aanslopen, kreeg ’k als jongen die God alleen als ’n abstractie in officiëel verband met den dominee, de tjokvolle
188