DAGERAAD
(met ingehouden smart) Zooals de lente-klokjes, die ’k geplukt,
Geen uur geleên — nu in verdorring gaan,
Is alles op mijn weg verdord, door wat Ik in onnoozelheid en vreugde heb Ontdekt! Het kind is dood. Mijn vrienden zijn In diepsten wrevel van me heengegaan,
Mijn lieve werk is neergebrand en rond Den stapel van het gruwlijk vlammenhuis,
Liggen de offers van een jammernacht,
Dien 'k niet verdraag, die me met onverstand En niet te dulden wanhoopsrouw bedreigt!
Mijn vrouw....
MARJOLEIN
Noem niet haar naam!
LUKAS
Je heb gelijk....
Ik had geen vrouw.... En nou, vaarwel, m'n kind.... MARJOLEIN
Is dat de dank dat 'k: in genade zie.... ?
LUKAS
Je ziet misschien te vroeg, misschien te laat.... MARJOLEIN Vaarwel, Lukas,
LUKAS
Dag, Marjolein.
(wil haar omhelzen)
MARJOLEIN
... .Nee, nee,
Geen kus van jou! Dat laat *k me enkel door Een man, die man kan zijn en man wil zijn —
Niet door een lafaard....
LUKAS
.... Lafaard?
MARJOLEIN
Lafaard, die
Iets schoons bedacht en in dat schoons gelooft... . LUKAS Dat kan 'k niet meer....
132