DAGERAAD
'k Moest wringen hem de snoeren van 't gebit,
Om niet te storten, waar de Achtarm was Gegaan de diepte in — kroop een schorpioen,
Een monster-rots-schorpioen, eerst achteruit —
Toen met een rappen zwaai — recht op me toe____
’k Zag van zijn kruinoogen het groene licht,
Ik zag de kaken, tasters en den staart,
Die onder ’t rugschild uit, den stekel droeg.
Eer 'k me verweren kon, voelde 'k den steek,
Gloeide het gif hier in mijn pols. Ik lei Haast in verlamming neer, bewusteloos —
En gleed de armen wijd-gespreid omlaag....
’k Dacht nog alleen, terwijl ’k m’n nagels groef In 't mos, om me te houden aan den wand —
Of ze me vinden zouen — hier of daar —
Aan dezen of aan d'andren kant — in ’t graf Van 't dal.... (glimlacht)
Is dat niet kostelijk?.... Ik sliep Waarachtig op die Doodskop-brug, maar heb Zelfs bij die nachtmerrie niet eens gewoeld,
Geen handbreed als in *t eigen bed gebeurt —
Had ik 't gedaan — ik was nou weggeweest....
De beiaards hebben me misschien gered —
'k Zat op en zag het vuurwerk bij den stroom,
En heb eer ik den bergkam toen verliet,
Wat zotte lente-klokjes uit den grond,
Waarop ’k gedroomd het schoone avontuur,
Gerukt. Voor lente-klokjes is de herfst Geen feest. Al wat te vroeg geboren wordt Moet ondergaan. Je scheurt de wortels stuk —
Of draagt de toortsen aan.... (ontwakend)
.... Hoe kom ik hier? Dag, Marjolein — dag, grootva — dag, Raket...,
'k Dacht dat 'k nog boven zat....
ADAM
.... Het scheprad is... .
LUKAS
Verbrand.... Ik bouw geen tweeden keer! KLOOSTERBROEDER
.... Het huis,
Waarin de dienst van God....
114