HEIJERMANS
RAKET (in jongensextase)
Het most zóó duren tot den laten nacht....
Vertikt, nou wordt t meenes met den wind....
Hoor je hoe die ’n groote strot opzet?
Nou buigt mijn kanjer-vlam z’n langen nek,
Duikt koppie-onder in den rook... . Jammer!
Vort is de pret!. ... Nee, fijn!. ... Hij steekt z’n tong Weer lekker naar de wolken uit! Hij is Den wind te leep af, ringeloort en pest Ze allemaal. .. . Noucpakken zes 'm an —
Ze slaan de paarse pooten om mekaar,
En lichten Goliath 'n beentje. .. . Pats!
Zeit hij weer — pats, zeggen zij... . Daar zijn Nog nieuwe vechtersbazen acht er an. .. .
Broeder, as daar een aarden pan opstond,
Zouen we kennen koken rijstebrei Voor God, den duvel en z’n moer. .. . KLOOSTERBROEDER
Hou op!
Doet ’t, kwajongen, jou zoo’n groot plezier?
Men spreekt des Heeren naam niet ijdel uit!
RAKET
Hij viel me bij het praten uit mijn mond:
'k Slik ’t weer in!... . Verdraaid, daar brandt het ook, In 't zuiderdal, bij het Maria-dorp!
En da’s de vierde klok. .. .
KLOOSTERBROEDER (maakt het teeken des kruizes)
.... Heer sta ons bij!....
111