DAGERAAD
Broeder, die, als ik de lakens uitgaf Hierboven in de hemelpoort — op slag Met huid en haar kwam in het vagevuur KLOOSTERBROEDER, (spottend)
't Is goed dat jij geen sleutel drager ben:
Jij loopt wat hard van stal. .. . Hè, ik bekom!
Ik was den heelen nacht niet uit mijn pij —
'k Heb waar het mocht en kon het volk gesust En heb met spoed de soldeniers gehaald,
Die door een valsch gerucht waren gegaan,
't Gebergte in, ver van de werkplaats af!
Die krijgslist had een duvels jong bedacht —
Was ’t niet gelukt: het scheprad draaide nog.... Waarom houdt zij de handen voor het hoofd?
Is ze gewond?
ADAM
Het klokgelui verdraagt Ze niet. Ze heeft gewaakt tot d’ ochtendstond En ik sliep boven in een stoel. Te bed,
In het bene jenhuis, dat ging niet best —
Er is geen ruit, die heel gebleven is,
De luiken hadden ze er uit gelicht....
RAKET (bij het raam)
Nou brandt het of de vlam geslagen is In al de lijmpotten van ’t heele dorp!
Verdraaid, verroest — dat is een test met vuur, Waarop je hónderd ossen brajen kan!....
Eén kanjer van een vlam is ze de baas,
Die vreet as ’n mierakel d' andre op,
Diq heeft n muil as — wijlen Goliath En koloogen, as in het prentenboek,
De groote, vette schooier van ’n draak,
Wanneer de ridder 'm z’n speer tot in Z’n rooie keelgat steekt.... Plof leit er een!
(Marjolein gaat staaroogend heenj En die was raak!.... Hij deelt ze meppen uit,
Dat ze blauwbekken, krimpen van de pijn En dat ze 'r scheel van zien....
ADAM
... .Hou jij haast op?
110