’t Was ongetwijfeld ’n vrouw onder de vrouwen, die met gestrenge intonatie moest worden aangepakt.
„Waarom?”, vroeg Duporc, en nou snapte de chauffeur iets van z’n bedoeling: „waarom steek jij dan niet ’t licht in de gang en in de vestibule op, als je patroon zich ’n ongeluk sjouwt....?”
„As-ie wat?”, informeerde ze, en met ’n Excuseer één ogenblik!”, sloeg ze op ’n kippedrafje naar de keuken, want ’t aanrechtdeurtje piepte hoorbaar, en ze was ’r nog net bijtijds bij, om de sloerie in ’r nek te grijpen, en ’r ’n pats om de oren te geven. Haast had de dief, die van alles kreeg, ’t in boter gebraje mootje te grazen. Ze gaf ’n trap tegen ’t gezwollen deurtje, dat nou eindelijk dicht bleef, en kwam tegelijk effen op adem van ’t geniepig gevraag van de rooie stiekemerd.
Met ’n voorbeeldige vlugheid had Duporc ’t vloeiblad van ’t schrijfbureau, dat de indruk van ’n paar adressen droeg, uit de map gelicht, ’t voor de schoorsteenspiegel gehouden, en tot z’n volkomen onthutsing — de zaak scheen met ieder uur-van-onderzoek ingewikkelder te worden! — de naam René Rana, met duidelijke rond-schrift-letters gelezen.
Nog voor de huishoudster in de kamer terug was, stak-ie ’t opgevouwen blad in z’n binnenzak, zat-ie of-ie niet uit de stoel weg was geweest, achter ’t bureau, om ’t onderzoek met geestelijk-aangeschroefde “ patersnosters voort te zetten. 4!
„Als jij gister de hele dag thuis ben geweest!”, begon-ie zó, toen de ’r vingers schoon-wrijvende vröuw over de drempel kwam: „heb je met opzet ’t licht uitgelaten en heb je je schuil gehouen, toen de auto met de moordenaars en ’t slachtoffer voor de deur stil hield, en de bagage in werd geladen Hoe lang heb je staan wachten,
chauffeur?”
„Nou, zeker ’n minuut of drie, vier ”
„Wat was dat voor ’n zware zak? Nou?”
„’n Zware zak ’n Zak?”, brabbelde de huishoudster,
gedwee als ’n scholier die ’t bij ’t examen af laat weten. „Werd ’r ’n zware zak ’t huis uit gedragen, chauffeur?’r „En hoe!”
„Uit ’n donkere of uit ’n verlichte vestibule, chauffeur?’"
„Uit ’n pikdonkere D’r was nergens licht op. Ik
stond vlak voor de deur, en mocht geen poot uitsteken..” „Sinds wanneer laat jij je patroon alleen met hopen bagage en met ’n zak, die haast niet te tillen is? Zijn dat de nieuwste voorschriften, dat je in ’t donker schuilei speelt, terwijl hij de boel uitdraagt?.... Dan moet toch alles vooruit klaar zijn gezet, om ’t zo maar in ’t wilde te grijpen? Waar zat jij?”
101