al schijnt zij (hij) enige last te hebben ondervonden van de molières nummer 38, door hetzij de vader, hetzij de levenslustige heer Jan Kikker aan de garderobe van de verloofde jonge dame Clotilde Rondeel in de villa te Aerdenhout ontnomen; dat het verdraaide handschrift van de heer James Macdonald „and w'ife” uit Melbourne gelijkenis met schrifturen van de heer Arthur Rondeel van. de Internationale Bank te Amsterdam vertoont, deze heer Macdonald inderdaad niemand anders is dan voornoemde Amsterdamse bankier, die om motieven, die dadelijk zullen blijken, deugdelijke redenen had, om de schijn van vermoord en geplunderd te zijn, te wekken; dat mevrouw Macdonald cop de Burgerlijke Stand te Amsterdam aan de» masculus-zijde, als Jan Kikker, geboren te Sliedreeht staat ingeschreven. Bij het vertrouwelijk neerschrijven dezer Conclusie — op ’t gevaar af in herhalingen te vervallen, moet ik op dit „vertrouwelijke” voorlopig nadruk, leggen, daar het ten zeerste longewenst lijkt dat iets van deze waarnemingen ontijdig in de een of andere krant gepubliceerd wordt — verwerp ik alle hypothesen en vakkundige spitsvondigheden. Er kan hier zonder meer bewezen worden. Terwijl ik toch in ’t begin, bij het eerste loco-onderzoek in de trein, bij het. zien van het bloedbad en het vinden van de kledingstukken met portefeuille, enz. van de „vermoorde’’ zelf eenvoudig en als logisch gevolg van de overrompelende omstandigheden dupe van de mise-en-scène werd en dientengevolge de heer Hans Thyssen, sinds gisterenavond op zijn woord-van-stilzwijgendheid losgelaten, en de heer JosephusBok, die ik terecht wantrouwde, te Dordrecht liet arresteren, en bij het scherpe verhoor1 dier twee heren op het Politiebureau in de toelaatbare mening verkeerde een be-ginspoor in handen te hebben — terwijl in die nacht in Hotel Ponsen logerend, met de bedoeling met de eerste trein naar Roosendaal te vertrekken, geen ogenblik kon vermoeden zulke merkwaardige buren te hebben, hielp het toeval dat ons dikwijls uitnemende diensten bewijst, mij de volgende morgen ziot voortreffelijk, dat de ene troef na d& andere in mijn hand geschoven werd. Ware dit toeval niet als zegen-aanbrengende godin tussenbeide gekomen — dii bene vortant!: de góden schenken hun zegen — dan hadde ik mijn dienst-revolver niet onder mijn hoofdkussen laten liggen, zou ik in de kamer der familie Aimard (ik neem aan dat Jaapje Eekhoorn de jongensboeken van Gustave Aimard met gretigheid las) de mondstukjes der sigaretten voorbij zijn gelopen, en niet door de magnetische kracht van ’t onder ’t bed vergeten damesschoentje zijn gegrepen. Ik verwijs naar mijn vroegere beschrijving van mijn verdere geleidelijke ont
182