je zuinig-lang met ’n reepje chocola, mat je de maat van je geluk met de snijding van je kleine, vinnige tanden, bang dat ’t te gauw genoten zou zijn — als kind had je vreugden, die in waarheid geen minuut duurden, toch met de blijde ruimten van hemel, licht, groen, onvergankelijk vervloeid en vervlochten leken. Je bedacht niet, redeneerde niet, wantrouwde niet, loog niet, lei je gelaat geen gekunstelde, bedriegende trekken op. Als kind — met andere kinderen samen — had je je eigen leven jong, krachtig, open en eerlijk ge-lééfd, gedroomd, geweten.
En na die spelende, woelende, onbedorven rust, was de grootste onrust gekomen....
— Ze zijn ’r, meneer, waarschuwde Johan, bang voor ’n uitbrander, omdat Joep z’n geklop niet hoorde.
— Dank je, zei-ie, met ’n glimlach-van-herinneren.
Even was-ie de kwelling kwijt geweest — nu, naar de serre stappend, de benauwende meubelen en schilderijen langs, dreigden de kolos-schaduwen der palmbladeren, de als dolken en assegaaien zoo sterke naalden der takken.
IOO