schuwheidjes, z’n als builende zeepbellen te-gruizel berstende voornemens — z’n schel-schreeuwende jongensdaden en be-vend-benepen bidding in ’t gevaar van den nacht.
Wat was de nacht tóén al ’n vijand, ’n hatelijke, telkens terugkeerende, de vreugden van den dag verstorende nijdas!
Hoe had-ie als kind den avond, ’t duister gehaat!
Maar wat ’n sublieme, ragfijne droomtijd was ’t geweest — ’t bij den schouw in koortsige aandacht naar de verhalende lippen luisterend, de lippen van de moeder die iets onwerkelijks hadden, anders dan van ieder ander mensch waren — lippen, die je nóóit meer in ’t leven ontmoette — bij geen vrouw, geen liefste, geen vriend....
Als zij, zij van de ouwe oorlogen, de gevechten met hellebaarden, slagzwaarden, partisanen, rondassen en snaphanen-vertelde, hoorde je de musketschoten, zag je de vendels in stofdampingen en kruitbarsting en de aanvoerders met harnas en halsberg bleven je bij, werden de helden van je jongensspelen....
Als kind dróómde je alleen. Als kind aanbad je ’t levensoogenblik zelf. Als kind dee
99