De zon, de serre-ruiten door-spiegelend, had in ’t mac-adam van den vloer ’n kringelenden kuil van roode, vlammend-rosse, blauwe, gele, knersend-groene reflecties gebeten — vroolijke kaatsing van licht in geslepen kristal.
Angstig stond-ie ’r voor stil, dat felle kleu-rengeraas, die wilde kolking niet dadelijk thuisbrengend — en angstig, op ’n hoopje gedrongen, met schuwe oogen en verlegen mondjes, bang voor de ongewone omgeving en nog banger voor den blinden Blauwbaard, die de vaders tyranniseerde, keken de kinders naar den meneer, die met dronken geaarzel naar ’t gespeel der kleur-vlinders op den serre-vloer staarde.
Toen, met ’n ruk, stapte-ie ’r over heen. En met ’n zenuw-bleek gelaat, ’t vroeg-oud gelaat met in verwondering-verstarde groo-te oogen, lachte-ie ze toe.
— Je hoeft niet bang te zijn, praatte-ie sussend: opeten zal ik jullie niet!
Op de rieten bank ging-ie zitten, wenkte de kleine meid van den huisbewaarder, die ’m met ’r blauwe oogen op-huilen-af aankeek.
’t Kind van nog geen vijf, zag ’r als ’n fik-sche deern van achttien uit. Met ’r bloote
IOI