ken, de prikkels van ’t verleden, keek je soms hijgend of lusteloos naar den komenden morgen, de altijd in beloften aan-prot-sende toekomst — maar de lust van ’t heden, ’t in gretig-gierige genieting heel-lang-zaam, heel innig, heel echt doorproeven van een uur, ’n bewust uur, ’n wakker uur, ’n goddelijk-oneindig, uit de verloren eeuwigheid vast-gegrepen uur — dat zalig-schoone, onmetelijk-rijke, diepst-wijze ont-glee je erbarmelijke vingers, als heen-pul-verend zand.
Van je leven dorst je de doode, in klatering ver-braste uren niet tellen — elk jaar had ’r trossen van duizenden.
En die van overgegeven, teere zekere innerlijkheid, die van evenwicht, mysterie, gestold geluk, durfde je evenmin — in hun domme eenzaamheid — overzien....
’t Hoofd in de veilige vluchtkom der handen, den adem in verwijderde snuiving, of niet hij ademde, of niet de éigen warmte tegen de polsen sloeg, zat-ie in de wijde koepeling van ’n sterk-levend, lange jaren aanvullend uur, herzag-ie zich als kind — als kind bij de onrustbesluipingen van ’n lichtenden zomeravond — bij de weelde van twee lieve, bezorgde oogen — bij z’n
98