— Johan — ’k wil vanmiddag de kinderen — allemaal zonder één uitzondering bij me zien....
— De kinderen...., herhaalde de lakei ver-baasd-ongeloovig.
— Allemaal!.... Laat ze in de serre.... 5k Ben ’r in tien minuten....
In de studeerkamer, met ’r bekoelend ge-schemer, nu de stores ’t geelbrandend zonlicht, als onder de kap van ’n huifkar op 5n volzomersch pleintje, lekker te weer stonden, bleek-ie ’t geaarzel der schoentjes en klompjes naar de serre, met vochtige oogen beluisteren.
In den roes der jaren, ’t gedrang der zot-verleefde, waardeloos-doorstormde, had ie zich nog nooit innig en diep in de allervroegste herinneringen van kinder-uren begeven.
’t Overkwam je zoo zelden, zoo jammerlijk weinig, om ’ns ’n klaar, heilig oogen-blik in de dolle jakkering der daagsche gebeurtenissen, den tuimel van afleidingen en gedachten te — rusten, terzij van ’t rumoer te treden.
Gezond of ziek, ziende of blind, was je met de onstuimigheid van je adem, je vreugde, je verdriet, je verlangens, bij de schok
97