Maar met de handen op ’t kozijn gesteund, verroerde-ie zich niet.
Er was daar ’n wonderlijk iets.
Tusschen de geweldigheid der oerstammen
— in ’t geschaduw van boomkruinen als groene wolken — speelden meisjes en jog-jes van drie, vier, vijf jaar — kabouters met korte rokjes, bloote beenen, afzakkende kousjes.
Ze dansten hand in hand, in ’n wakkelen-den kring.
De haren der meisjes met den wind meetollend, slierden de los geraakte lintjes rond
— de petten der jongens leien naar alle kanten verstoven.
Z’n adem inhoudend keek-ie toe. Vergroot als-ie alles zag, leken de gierende kleuters volwassen menschen — de éérste menschen van normale grootte sinds de nieuwe operatie.
De broek-mannetjes met de zwarte, brutale knuistjes en voeten, waren waarachtige mannen — mannen met goddelijk-open snuiten en prachtigste droom-oogen.
De kleuter-vrouwtjes, door de zon gebrand — de grappige, wijze, lachende, on-noozele, boterham-kauwende meiskes, dingen met bloote beentjes, joelende haren en
95