bittering, spot-met-alles, afgestooten — Georgette’s gesnap, gelach, geflirt, door die onmeedoogende, alles onder ’n loupe stellende, menschen en dingen verbijsterende paarde-oogen, hadden ’m ’n ontzettende beklemming gegeven.
Hij was ziek; ongeneesbaar-ziek.
De heele wereld zóó aanvaard, was hopeloos.
Met mensche-hersens moest je met mèn-scheoogen blijven zien.
Elk dier had de hersens die bij z’n oogen pasten — ’t je anders voorstellen lukte niet. Alleen ’n mensch kon ’m redden — maar met al de schatten van de wereld, met al waar je over te beschikken had — zou je geen levend schepsel vinden, die z’n dage-lijksch genot, z’n weelde van gezond zien voor ’n donker tot den dood — en van dood tot eeuwigheid — donker zonder einde!.... — zou willen ruilen. Kreunend-ademend, bang voor ’t daglicht met z’n monsterverschijningen,z’n gedrochten, z’n beu makende variaties, z’n onwezenlijke menschen, leunde-ie achterover — en over ’t grint van den slottuin rijdend, nam-ie zich voor, de eerste uren niet uit ’t bed te komen.
93