maar bij de flesch champagne, die tot viering van z’n herstel opengetrokken werd — en die eerst niet wou — slóót-ie z’n oogen niet in knippering — en uit angst voor ’n herhaling van de nacht-stemming. nipte-ie nauwelijks van ’t schuimend glas, dat als ’n ridderbeker zoo ontzaglijk, in z’n hand beefde.
Kort na de lunch, ongewoon-afgemat, met de belofte héél, héél-spoedig terug te komen — hij kon ’t met z’n hoofdpijn niet harden — reed-ie huiswaarts, den hoed diep over de open oogen, om ’n beetje duister te verschalken.
Vroeger alleen nacht — nu alleen dag.... Zóó miserabel had-ie zich in geen maanden gevoeld.
Zij — zij ’t weelde-poppetje, zooals-ie ’t gaaf en ongerept in de warmte van z’n herinneren bewaard had — trok ’m niet meer aan — deed ’m niets met ’r kristallen lach, niets met ’r porseleinen oogen, niets met ’r fijn-leuke gesprekjes, niets met ’r sneeuw-tandjes in den oolijken mond.
Loek met ’r onderworpenheid, ’r gebed, ’r opofferingen, ’r stem zonder hartstocht, had ’m in de heetste uren van wrevel, ver
92