jes, hartelijke begroetinkjes, haastte ze de kamer in.
Joep moest mee blijven lunchen. Joep zag ’r patent uit. Joep moest vertellen. Joep moest ’ns weten hoe Georgette èlk uur over ’m gepraat had. Joep had ze zoo verrast. Voor minstens de eerste dagen leien ze beslag op ’m....
Glimlachend zag-ie de lippen — de lange dunne, smalle — die geen seconde rust vonden — en de rateling der woorden onder de glinster-gladde,onzinnig uitgedijde lorgnetglazen, werd als ’t gestort van aardkluiten op de leegte van z’n hoofd.
Bij ’t gebabbel der twee — van de oude dame en de florissant-jonge — koortste ’n kaleidoscoop van wat-’r-in-de-laatste-tijden voorgevallen was — de mondaine nieuwtjes — de ondeugendheidjes der uit-gaande-wereld — de liaisons — de toiletten — de schandaaltjes — ’t nieuwe boek — de surprises van kunst en artiesten....
Vermoeid, voortdurend in de onbehaaglijke aanvoeling van z’n deprimeerende kleinte, nog niet over de aarzeling om schijnbaar zware en groote tafelvoorwerpen aan te vatten, heen — knikte-ie wellevend —
91