De malsche voorjaarszon bevlamde de ruit, dee ’m ter zij zitten.
Vandaag kwetste ’m ’t minste. Haar a jour gewerkte blouse met de vreemde ronde g a-t e n, hinderde ’m, vond-ie in-decent.
5r Vroolijkheid — ’r grove lachtrek — maakten ’m downer.
— Wat ben je stil, verweet ze: ik dacht dat je, zoo héélemaal hersteld, de uitgelatenste van ons twee zou zijn!
— Ik geloof, zei-ie, de meter-lange ornamenten en bloemen van het tapijt besta-rend: „ik geloof dat ik jou in die dagen — als je iets met je oogen overkomen was, toch en misschien daarom juist nog stelliger getrouwd zou hebben....
— Ik begrijp je niet, praatte ze verwonderd: ....je schrijft ’n opgewonden brief en je redeneert zoo zwaarmoedig of je ’r spijt van heb, dat je me ziet.... We dachten toch geen van twee aan trouwen onder zulke ellendige omstandigheden....
— Neen, zei-ie: misschien heb ’k ’r eerst later, in m’n ééntje, toen ’k op vréémden aangewezen was aan gedacht....
Mevrouw Van Dalen stoorde ze.
In ’n stuifwolk van uitroepjes, verwonde-rings-kreetjes, verheugde bewerinkjes, lach
90