Zoo had-ie ze in Parijs, Berlijn — overal — bij fontaines lumineuses, lawaaiende orkesten, grint-bestappende menigten, frou-frou van vrouwerokken, vorken- en messen-ge-tinkel, geflirt en geroes — bij flakkerenden zonneschijn en drensenden regenslag — oneindig veel gezien.
— En hoe is de genezing zoo onverwacht
— zoo ineens gekomen? informeerde ze, in opgewekten conversatie-toon.
— Die heb ’k aan ’n buitengewoon-wijs man te danken, vertelde-ie, meer met ’t vensterkozijn dan met haar pratend:....dikwijls opgezocht in die afschuwelijke maanden, heb je me niet, Georgette....
— Als je dat als ’n verwijt bedoelt, zei ze ’r standbeeld-handen uitstrekkend:.... dan ben je ’r naast, Joepje!.... De keeren dat mama en ik je bezochten, hadden we altijd ’t gênant gevoel dat we te veel waren....
— Te veel? — Waarom te veel?
— Omdat je bigotte verpleegster ons telkens al in de gang kwam verzoeken geen onderwerpen aan te roeren, die jou in je situatie onaangenaam konden zijn.... Waar moest je over babbelen, niet waar?.... Je kon over niéts praten zonder de een of andere herinnering op te wekken.... ’t Was
88